"Spaanse migranten in Nederland" (1961-2006)

 Geertje van Os

 

Inleiding:

 

 

Miguel Angel Luengo Tarrero opende het lezing met het lezen van het gedicht "Iets meer dan een gevoel alleen".

 

 

Goedemorgen. Hartelijk welkom allemaal.

Miguel Angel, bedankt voor het voordragen van het gedicht. Miguel Angel Luengo Tarrero schreef dit gedicht als hommage aan zijn vader en al die andere vaders die in de jaren zestig hun koffer pakten om te gaan werken in Eindhoven. De titel van mijn boek over Spaanse immigratie in Nederland is ontleend aan de eerste regel van dit gedicht.

 

Zeven jaar geleden begon ik met een onderzoek naar het thema emigratie en vanaf het begin heeft Miguel Angel me met raad en daad bijgestaan en tevens geholpen met het verzamelen van materiaal. In november 2006 werd het boek in Nederland gepubliceerd. Twee maanden later ontvingen we een e-mail van Juan Valadés. Hij vroeg of we wilden meewerken aan een project van het Museo de Cáceres over emigratie vanuit Extremadura. We antwoordden dat we dat met alle plezier zouden doen.

Juan schreef ook dat het Museo eventueel een Spaanse vertaling van mijn boek zou willen uitbrengen. Dat was een droom van mij en ik kon het nauwelijks geloven. Maar die droom is werkelijkheid geworden. Dankzij Juan, dankzij het Museo de Cáceres, dankzij de Junta de Extremadura, dankzij de vertaler Johan Pouwels, dankzij Miguel Angel, dankzij Fuensanta Guerra Retamosa die de laatste versie heeft gecorrigeerd, dankzij Raquel Rodrigo Iglesias die de tekening op de kaft heeft gemaakt en dankzij nog veel meer mensen. Ik ben heel dankbaar, blij en trots om hier vandaag te staan, bij de presentatie van de Spaanse vertaling van mijn boek! Het is voor mij een grote eer en het vervult me met geluk.

 

 

In mijn presentatie zal ik vertellen hoe ik ertoe kwam om onderzoek te doen naar emigratie vanuit Extremadura naar Nederland. Vervolgens ga ik in op de inhoud van het boek. Het boek bestaat uit elf hoofdstukken en die hoofdstukken worden onderbroken door intermezzo’s. Een intermezzo bestaat uit een gedicht of persoonlijk verhaal. Evenals in het boek zullen er in mijn praatje ook intermezzo’s voorkomen, intermezzo’s van Johan Pouwels en Miguel Angel. U zult het zien.

Waarschijnlijk denkt u dat ik in Nederland in contact kwam met immigranten uit Extremadura. Maar dat was niet zo. Het was hier in Extremadura waar ik de emigratie naar Nederland heb leren kennen. Alweer lang geleden ging ik naar Extremadura om antropologisch onderzoek te doen naar weduwschap en rouwgebruiken. Een heel ander thema dus. Ik ging in het dorp El Torno wonen en vind het leuk om te vertellen wat ik meemaakte tijdens mijn eerste bezoek aan het dorp.

 

Kennismaking met Extremadura en emigratie

 

 

In september 1991 was ik op zoek naar een dorp in Extremadura waar ik antropologisch veldwerk kon verrichten. Rond het middaguur kwam ik met de bus uit Plasencia aan in El Torno. Wat ik nooit zal vergeten, is de geur die uit de huizen kwam toen ik rond etenstijd door El Torno wandelde. Het was een heel sterke geur die ik niet kon thuisbrengen. Totdat ik naar bar El Frenazo ging waar ik een bord sperziebonen bestelde. Mevrouw Matilde bereidde het eten en onmiddellijk vulde de bar zich met dezelfde geur. Toen ze me het bord voorzette en ik een boon probeerde, wist ik wat het was: de olijfolie van El Torno. De sterkste olie ter wereld. De sperziebonen waren lekker, maar ik moet toegeven dat mijn maag niet gewend was aan zulke sterke olijfolie.

 

Toen ik tussen 1991 en 1993 in El Torno woonde begon je die olie steeds minder te ruiken. Omdat mensen de olijfolie gingen gebruiken van de coöperatie die niet half zo sterk is. En als je vandaag de dag rond het middaguur een wandelingetje maakt door El Torno, dan ruik je die olie van voorheen al helemaal niet meer.

 

Van alle zintuiglijke waarnemingen is het de geur die de meeste herinneringen oproept; levendige en krachtige herinneringen. (Zoals Marcel Proust beschreef in zijn meesterwerk ‘Op zoek naar de verloren tijd’.) De emigranten die hun dorp moesten verlaten en vooral degenen die naar een ander land vertrokken, zullen de olijfolie van hun dorp heel erg gemist hebben. De geur die op mij als vreemdeling een onvergetelijke indruk maakte, betekende voor hen hun verloren wereld, hun jeugd, hun geliefden, hun dorp, hun land. Van dat alles vonden ze niets terug in het noorden, op het verre en vlakke land van groene weiden, koeien en roomboter.

 

Olijfolie is een streekproduct dat voedt, dat smaak geeft aan het eten, dat een economische hulpbron is, maar ook een belangrijk element in de liturgie. Olie is licht, is leven. Ik kan me niet voorstellen dat er iets anders bestaat met zo’n sterke geur, smaak en waarde als de olijfolie van destijds in El Torno.

Toen ik in Extremadura woonde kwam ik in veel dorpen en de mensen vroegen me: ‘Waar kom je vandaan?’ Dan zei ik: ‘Ik ben Nederlandse.’ En vaak antwoordden ze: ‘Hier hebben we ook Nederlandse families!’ Meestal bleken dat geen Nederlandse families te zijn, maar Spaanse families die in Nederland woonden.

 

Hier waren het Nederlandse families, daar waren het Spaanse families. In die tijd begon ik me te interesseren in de levensgeschiedenissen van emigranten en besloot ik onderzoek te gaan doen naar het thema migratie als ik mijn andere projecten had afgerond.

Veel Extremeños werkten bij Philips in Eindhoven. Eindhoven is een industriestad in het zuiden van Nederland, gedomineerd door fabrieken, kantoorgebouwen van Philips.

 

Werving.

 

In de jaren zestig kampte Nederland met grote arbeidstekorten. Evenals andere grote bedrijven koos Philips voor een korte termijn oplossing door tijdelijk buitenlandse arbeidskrachten te werven. Om de administratieve en praktische problemen binnen de perken te houden, werd gekozen voor werving in één land: Spanje. Het was Frits Philips in eigen persoon die dat in de zomer van 1962 bepaalde. In de jaren die volgden haalde Philips ongeveer tweeduizend Spanjaarden naar de regio Eindhoven. Frits Philips was persoonlijk geïnteresseerd in de Spaanse arbeiders. Hij sprak een beetje Spaans en ging af en toe bij ze langs op hun afdelingen en in de woonoorden.

 

Het gebied dat Philips in 1962 door de Spaanse overheid kreeg toegewezen om arbeidskrachten te werven was Extremadura. De eerste lichtingen kwamen uit het noorden van Cáceres. Latere groepen kwamen uit alle windstreken van Spanje. De Spanjaarden waren de eerste gastarbeiders in de regio Eindhoven en vormden bovendien tot in de jaren zeventig de grootste groep nieuwkomers. Tegenwoordig wonen er nog ongeveer duizend Spanjaarden in Eindhoven en de Extremeños vormen de basis van deze Colonia Española.

 

Het ministerie van Arbeid in Madrid stuurde de vraag van Philips naar de hoofdstad Cáceres, en van daaruit ging de aanvraag naar een aantal gemeenten. Om je aan te kunnen melden moest je van onbesproken gedrag zijn, een goede gezondheid hebben, minimaal 23 jaar zijn en je dienstplicht vervuld hebben. Als je daaraan voldeed mocht je naar Cáceres voor een medische keuring. Behalve Philips waren er bijvoorbeeld ook textielfabrieken uit de omgeving van Eindhoven die arbeiders wierven in Extremadura.

 

Philips organiseerde de reis en betaalde alle kosten. Met een touringcar werden de migranten in hun dorpen opgehaald, waarbij het hele dorp uitliep om afscheid te nemen. Ze gingen met de bus naar Cáceres en van daaruit met de trein naar Nederland. Na een reis van drie dagen stapten op 8 februari 1963 de eerste 90 mannen uit de provincie Cáceres uit de trein. In Nederland heerste een van de strengste winters uit de geschiedenis.

 

De eerste groep werd gehuisvest in het dorp Someren, in een Rijkskamp uit de jaren 1930. In andere plaatsen in de buurt van Eindhoven bevonden zich gelijk-soortige woonoorden. Acht mannen deelden er een woon- en slaapkamer. Elke dag werden ze met bussen naar hun werk bij Philips gebracht.

Van die eerste lichting woont nog één man in Eindhoven: José Gutiérrez, afkomstig uit Carcaboso.

 

Het grootste probleem in de woonoorden was het gebrek aan privacy. Sommige Spanjaarden konden niet aarden in de collectieve onderkomens en vonden onderdak in particuliere kosthuizen of in pensions. In het centrum van Eindhoven bevond zich kloosterpension ‘Ons Thuis’, waar zusters zorgden voor het eten en de schoonmaak. Hier hadden ongeveer honderd Spanjaarden een eigen kamertje.

 

Seks en sambal.

 

Een thema waarover heel veel werd gediscussieerd, was het eten in de woonoorden. Over de maaltijden bestaan veel anekdotes. Alles werd zo goed mogelijk voor de Spaanse arbeiders geregeld, ook het eten. Maar soms had men in Nederland een nogal stereotiep beeld van Spanjaarden. Alsof het allemaal gepassioneerde heethoofden zouden zijn die elke dag een stevige portie Spaanse pepers nodig hadden. In het begin dachten de Nederlandse koks van de woonoorden dat het eten vooral heel pikant moest zijn en deden ze overal een flinke schep sambal doorheen. Maar daar hielden deze zuiderlingen helemaal niet van.

 

 

 

De geestelijke verzorging van de Spanjaarden was vanaf het begin tot in de jaren tachtig in handen van pater Jaime Driessen, een Nederlandse pater die in de missie had gewerkt. Hij droeg de mis op in de woonoorden en zette zich met hart en ziel in voor de Spaanse gemeenschap. Een man met een fenomenaal geheugen die iedereen met naam en toenaam kende, zich ieders geboorteplaats herinnerde en zelfs geen verjaardag vergat.

 

 

In het algemeen stonden de Spanjaarden goed bekend, ze waren harde werkers die hun meerderen met veel respect behandelden, zoals ze in Spanje gewend waren. Ze zorgden voor weinig problemen, niet op het werk en ook niet in de samenleving. De Spanjaarden werden niet gediscrimineerd in Nederland. Bovendien kwam Spanje bij de Europese Gemeenschap en begon het een populair vakantieland te worden waardoor de culturele verschillen steeds minder belangrijk werden.

 

De eerste groep in Someren werd echter met gemengde gevoelens ontvangen door de dorpsbewoners. Enerzijds waren de zuiderlingen zeer welkom, anderzijds riep hun komst ook de nodige angsten op. Zelfs de dorpspastoor kwam er aan te pas. In de kerk had hij aangekondigd dat er een grote groep Spanjaarden zou komen. En dat de meisjes goed op moesten passen, want ze zouden maar een jaar blijven en minstens de helft was getrouwd. Alle waarschuwingen ten spijt werden er veel meisjes verliefd op die donkere jongens uit Extremadura. Ze hadden nog nooit zoveel ‘Don Juans’ bij elkaar gezien.

 

Veel ouders hielden hun hart vast dat hun dochter met een Spanjaard thuis zou komen of - erger - zwanger zou worden van een Spanjaard. Ze waren welkom, maar zodra liefde, seks en huwelijk op het toneel verschenen, werden de grenzen tussen ‘eigen’ en ‘vreemd’ duidelijk en scherp getrokken.

Een van de dingen waar Spaanse migranten zich het meest over verbaasden, was de seksuele moraal in Nederland van de jaren zestig. Die was heel wat vrijer dan ze gewend waren. Ze verwonderden zich over de gemakkelijkere omgang tussen mannen en vrouwen, verliefde paartjes die elkaar in het openbaar zoenden en over de anticonceptiepil die hier al in 1962 op de markt kwam. Tot in de jaren tachtig was het gebruik van de pil verboden in Spanje.

 

 

 

 

 

 

 

Maar het waren lang niet allemaal avontuurlijke Don Juans die begin jaren zestig in Zuidoost Brabant arriveerden, het merendeel was niet zo heldhaftig en kwam voornamelijk om hun dierbaren thuis een beter leven te bezorgen.

     
 

Een tijdelijke kwestie.

De meeste migranten kwam uit kleine, geïsoleerde dorpen waar de wegen nog niet verhard waren en waar vrijwel niemand zich buiten de grenzen van de streek waagde. Vanuit dorpsgemeenschappen waar iedereen elkaar kende en alles van elkaar wist kwamen ze in de industriestad Eindhoven terecht. Voor sommigen was de emigratie een traumatische ervaring. Veel mannen werden ziek van de grote verandering, de kou of de heimwee. Soms zat er niets anders op dan naar huis terug te keren.

 

Het contact met het thuisfront was belangrijk voor die mannen, maar moeilijk te onderhouden. Telefoneren was duur en bovendien was er vaak maar één telefoon in het dorp waar ze vandaan kwamen. Het kwam dus op briefcontact aan. Alleen waren er nogal wat mannen die moeite hadden met lezen en schrijven. Daarom kostte de Nederlandse les in de woonoorden werd gegeven, hun heel wat moeite. Die lessen waren van korte duur, vanwege het gebrek aan motivatie bij zowel de arbeiders als bij Philips.

 

Een paar jaar werken, wat geld sparen en terug naar Spanje. Met dat idee kwamen de meeste Spaanse migranten en dat was ook het uitgangspunt van Philips. Voor beide partijen was dit een tijdelijke kwestie. Waarom zou je dan zoveel in die mensen investeren? Zo kon het gebeuren dat een groot aantal Spanjaarden na veertig jaar nog moeite heeft met Nederlands.

Bovendien had Philips tolken in dienst. De Spanjaarden hadden hun eigen Personele Zaken waar Spaans werd gesproken. Ook artsen en maatschappelijk werkers spraken Spaans. Zelfs de afdelingschef werd verplicht gesteld Spaans te leren. Hij in plaats van zij. Zo leerden de Spanjaarden geen Nederlands.

 

Intermezzo Johan

Nu we het toch over tolken en talen hebben, denk ik dat het tijd is voor een intermezzo van onze vertaler Johan Pouwels. Johan is een Nederlander die is opgegroeid in Eindhoven. Van jongs af aan is hij al bevriend met Spaanse migranten. Hij speelde zelfs in het voetbalteam van het Centro Español Eindhoven. De eerste Spanjaarden die naar Eindhoven kwamen waren Extremeños. Waarschijnlijk leerde Johan zijn eerste Spaanse woorden met een Extremeense tongval. Johan is leraar Spaans en beëdigd vertaler. Maar dat is zijn tweede beroep, want hij heeft meer dan veertig jaar bij Philips gewerkt. Johan zal ons vertellen over zijn belevenissen met Spanjaarden van de eerste generatie.

     
 

De arbeidscontracten werden keer op keer verlengd en steeds meer mannen besloten om hun vrouw en eventueel kinderen over te laten komen. Philips kon ook genoeg vrouwen in de fabriek gebruiken en hielp bij het zoeken naar woonruimte, want indertijd heerste er woningnood in Nederland. Veel Spaanse families kregen een huurwoning in dezelfde wijk.

De kinderen gingen naar school, kregen vriendjes en vriendinnetjes, volgden een opleiding, vonden een baan en hun ouders stelden de keuze ‘teruggaan of blijven’ jaar na jaar uit.

Maar alle zomervakanties keerden ze terug naar Spanje.

 

Gezinshereniging, vakantie en verenigingsleven.

 

 

In augustus 1963 organiseerde Philips voor 160 Spaanse werknemers een achtdaagse vakantie naar huis. Met bussen werden zij van Eindhoven naar Extremadura gebracht en weer terug. De jaren daarop liet Philips een speciale trein naar Irún rijden. Later bood Philips de mogelijkheid om met het vliegtuig te gaan. In de jaren zeventig reden veel Spanjaarden zelf naar huis, vaak in oude auto’s, met drie of vier kinderen op de achterbank.

 

 

Alle zomervakanties keerden de Spaanse arbeiders met hun gezin terug naar het geboortedorp. Hun terugkomst baarde nog steeds opzien, maar de ontvangst werd in de loop der jaren wat minder hartelijk en sommige in Nederland opgedane gewoontes werden met het nodige misbaar begroet. Vrouwen die rookten en rare kleding droegen, kinderen die een vreemde taal onder elkaar spraken en het nodige materiële vertoon waarmee de migranten thuis kwamen, veroorzaakten achterdocht en scheve ogen in hun geboortedorp.

Buiten werktijd en in het weekend ontmoetten de migranten elkaar in verschillende culturele en recreatieve centra. Het eerste was het Centro Español van Eindhoven dat in 1968 geopend werd. In 1976 werd het Círculo Español geopend.

 

 

 

Tot eind jaren tachtig waren er twee Spaanse voetbalteams in Eindhoven die competitie speelden in heel Nederland en België, meestal tegen andere Spaanse bedrijfssportvere-nigingen.

 

In 1993 werd de Hogar del Pensionista opgericht, een vereniging voor gepensioneerde Spanjaarden. Momenteel is dit misschien wel de meest actieve vereniging, omdat ze veel activiteiten organiseren die druk bezocht worden.

 

De meest typische vereniging is de Asociación de la Colonia Española de Eindhoven, opgericht in 1980. Het gaat om een soort van begrafenisfonds. Jaarlijks stort elk lid een bepaald bedrag, zodat er altijd geld is om een overleden Spaanse migrant terug te brengen naar diens geboortegrond en een eervolle begrafenis te bezorgen. Pablos Luengo kwam op het idee om deze vereniging op te richten. Misschien wil hij ons er straks meer over vertellen.

Eerste generatie migranten hebben altijd geleefd met het idee om ooit terug te keren. Het idee in Nederland oud te worden en te sterven boezemt angst in, de gedachte in Nederland begraven te moeten worden, is ondraaglijk. Het lichaam moet terug naar zijn geboortegrond.

 

Emigratie laat diepe sporen na. Langzaam maar zeker wortelden de Spaanse migranten in Nederland en werd terugkeer steeds minder realistisch, maar het verlangen naar ‘huis’ bleef. Maar hun dorp is intussen sterk veranderd en remigratie, opgevat als een terugkeer naar het verleden, is onmogelijk. Dit geeft een diep gevoel van onvrede dat misschien het beste verwoord kan worden met de term ‘zielenpijn’. En niet alleen bij de eerste generatie, ook bij de tweede. Miguel Angel zal ons iets vertellen over zijn eigen ervaring.

Intermezzo Miguel Ángel

 

Emigrant zijn.

 

 

Emigratie brengt heel veel soorten verlies met zich mee die leiden tot het zogenaam-de verschijnsel ‘migratierouw’, beschreven door de socioloog Valentín González Calvo. Een heel belangrijk verlies is dat van de band met de geboorte- grond en met de mensen die hen hebben zien opgroeien. Maar er is geen verlies zonder winst; migratierouw impliceert een groeiproces. Rouw kan leiden tot een identiteits0-verandering. Als het mensen lukt om op een goede manier door de migratierouw heen te komen, dan betekent dat een verrijking van hun persoonlijkheid. Ze verkrijgen een groot aantal vaardigheden, redmiddelen en ervaringen die hen van dienst kunnen zijn als zich andere moeilijkheden voordoen in hun leven. Ze construeren een nieuwe, rijkere en meer complexe identiteit.

 

Ik denk dat men altijd een beetje emigrant zal blijven, ook degenen die definitief teruggekeerd zijn. Emigratie is een heel intense ervaring. Ook na de terugkeer blijven de cultuur en het land van ontvangst in mensen voortleven. Zelfs bij degenen die maar een of twee jaar in dat land gewoond hebben.

De eerste generatie is nu grijs geworden en velen vragen zich af of de emigratie de moeite waard is geweest.

 

Vaak was de vader jarenlang afwezig in het gezin en dat is al een gemis dat nauwelijks te compenseren valt. Soms zag hij zijn kinderen niet geboren worden of opgroeien. Na de gezinshereniging moesten de kinderen zich aan een totaal ander leven aanpassen. Omdat ze nog jong waren ging dat relatief gemakkelijk.

Voor vrijwel alle Spaanse migranten betekende hun vertrek naar Brabant een keerpunt in hun persoonlijke geschiedenis. Voor hen die oud worden in Nederland, maar ook voor hen die definitief teruggekeerd zijn.

 

Wat doet migratie met mensen? De Españoles waren de eerste gastarbeiders in de regio Eindhoven.

Deze migranten van het eerste uur hebben heel wat meegemaakt, ze hebben geschiedenis geschreven en het is van groot belang dat hun erfgoed niet verloren gaat.

 

Geschiedschrijving van de emigratie.

 

In februari 2003 schreef ik een artikel in het Eindhovens Dagblad en in de Hoy van Extremadura. Op dat moment was het precies 40 jaar geleden dat er 90 mannen uit Extremadura in Eindhoven arriveerden. Na de publicatie van dat artikel begon Miguel Angel een website over de geschiedenis van de Spaanse gemeenschap in Eindhoven. En ik kreeg (na een groot aantal aanvragen) een subsidie van het Nederlandse ministerie om een boek te schrijven.

 

Intermezzo Miguel Angel

De tweede generatie is belangrijk voor de geschiedschrijving van de emigratie. Ook in andere migrantengroepen zie je dat de kinderen in staat zijn om de gevoelens van de eerste generatie te verwoorden. Ze kunnen heel goed analyseren wat emigratie betekent op zowel collectief als individueel niveau. Ze weten woorden te geven aan wat hun ouders hebben meegemaakt, de geschiedenis te bewaren en duidelijk te maken wat het betekent om migrant te zijn. En dat is heel belangrijk in de huidige wereld van globalisering en talrijke migratiebewegingen. Miguel Angel gaat nu iets vertellen en laten zien over zijn website die een groot succes is. Zijn website wordt goed bezocht door mensen in Nederland, Spanje en zelfs in veel andere delen van de wereld.

In augustus 2005 werden in El Torno de Jornadas de Emigración Torniegas (Conferentie over Emigratie vanuit El Torno) georganiseerd en daar hielden we een presentatie. El Torno ‘liep voorop’. Er werden verhalen en ervaringen uitgewisseld en zo zou het moeten zijn, want migratie is geschiedenis van zowel Extremadura als Nederland. Nu doen we in de hoofdstad Cáceres hetzelfde. Zoals Leonor Flores Rabazo heel goed aangeeft in haar voorwoord, bevindt zich in Nederland een deel van het erfgoed van Extremadura en het is noodzakelijk om dat te behouden voor de toekomstige generaties. Ginds bestaat Extremadura. Hier bestaat Nederland. Zowel daar als hier leven mensen met de intense ervaring van migratie die zelfs invloed heeft op de tweede en derde generatie.

 

Vandaag presenteren we met veel voldoening en blijdschap de Spaanse vertaling van ‘Ik kwam met een koffer van karton’. Deze vertaling is de kroon op ons werk.

Dankzij Johan kunnen we het boek nu in het Spaans lezen. Vertalers zijn heel bijzondere mensen.

 

Mijn vader was ook vertaler. Elke dag zat hij achter zijn oude schrijfmachine, vaak tot diep in de nacht. Hij beklaagde zich vaak dat hij zo slecht betaald werd en dat dit werk zo veeleisend en ondankbaar was. De naam van de auteur staat in hoofdletters op de kaft van het boek, maar de naam van de vertaler staat ergens in kleine lettertjes op een onvindbare plaats.

De vertaler leidt een stil en solitair bestaan. Hij probeert het beste van zichzelf te geven om de getrouwheid te bewaren van wat de auteur met zijn lezers wilde delen. Maar het levert hem weinig eer of voordeel op. Hij werkt vrijwel in de anonimiteit.

 

 

 

In zijn essay ‘Aan de andere kant van de Toren van Babel’ geeft de schrijver Paolo Coelho een mooie beschrijving van het beroep vertaler:

 

Toen de mens zich hoogmoedig toonde, verwoestte God de toren van Babel en begon iedereen een andere taal te spreken. Maar in zijn oneindige genade schiep Hij ook een mens die opnieuw bruggen zou gaan bouwen, door dialoog en verspreiding van het menselijk gedachtegoed mogelijk te maken. De vrouw of man wier of wiens naam we zelden de moeite nemen om te lezen als we een boek uit een ander taalgebied openslaan: de vertaler.

Johan zal ons vertellen wat hem bezielde om die gigantische klus op zich te nemen om een boek vanuit zijn moedertaal naar een vreemde taal te vertalen. Dat is heel uitzonderlijk voor vertalers. Bovendien is het een hachelijke onderneming en ik bewonder zijn moed om eraan te beginnen.

Intermezzo Johan

 

Straks in het colloquium zullen we nog meer horen uit de mond van drie mensen die de emigratiegeschiedenis vanuit Extremadura naar Eindhoven zelf meegemaakt hebben: Pablo, Florencio en Miguel Angel. Zij kunnen ons vertellen hoe het is om je land achter te laten, een nieuw leven te beginnen in een vreemd land, migrant te zijn (voor altijd?) of zoon van een migrant (voor altijd?) en om terug te keren naar je geboortegrond waar alles is veranderd. Tot aan de geur, de kleur en de opbrengst van de olijfolie toe.

Volver

© Geertje van Os