…… …. "NEDERLAND IS MIJN TWEEDE VADERLAND" ….

 Het verhaal van een remigrant

In augustus 1960 ontving de Nederlandse ambassadeur in Spanje een uitzonderlijk codebericht van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘Geheim’ stond erboven. En vervolgens: "Nederlands bedrijfsleven heeft grote behoefte aan geschoolde arbeiders speciaal in metaal, scheepsbouw, textiel en bouwnijverheid. Verzoeke spoedigst te seinen of naar mening Spaans ministerie werving mogelijk is". De Spaanse overheid wees enkele regio’s aan waar de benodigde arbeiders geworven mochten worden. Extremadura was een van die gebieden. Er begonnen arbeiders vanuit die regio naar Nederland te emigreren. Eerder waren hier al arbeiders geworven voor Duitsland en Frankrijk waar zij soortgelijke contracten kregen. Het zou van tijdelijke duur zijn, maar de tijdelijke contracten werden keer op keer verlengd en soms omgezet in vaste aanstellingen, waardoor sommige mensen die veertig jaar geleden vertrokken nu nog in bovengenoemde landen wonen. Evenals andere Nederlandse bedrijven begon Philips in Eindhoven ook op deze manier arbeiders te werven. In december 1962 zou de eerste groep Spaanse migranten in Eindhoven arriveren, maar vanwege de uiterst strenge winter van 1962-’63 en de enorme sneeuwval in geheel Noord-Europa werd hun komst uitgesteld. De negentig mannen uit de provincie Cáceres die Philips had aangenomen, moesten tot februari 1963 wachten voordat ze de reis konden ondernemen die hen tweeduizend kilometer van hun familie zou wegvoeren.

Pablos Luengo Sevillano. Deze foto werd in 1966 gemaakt bij de opening van het woonoord El Prado.

EEN ZADELMAKER UIT EXTREMADURA IN NEDERLAND

Voordat die negentig mannen uit Cáceres arriveerden, waren er al enkele migranten uit Extremadura naar Nederland vertrokken. Zij werkten niet bij Philips in Eindhoven, maar bij andere Brabantse bedrijven. Een van hen was de heer Pablos Luengo Sevillano. Pablos Luengo groeide op in El Torno, een hooggelegen dorp in de mooie Vallei van de Jerte, in het noordoosten van de provincie Cáceres. Toentertijd woonde Pablos echter in het dorp Garganta la Olla. Hij behoorde tot een familie die in vrijwel alle dorpen in het noorden van Cáceres bekend was: ‘De Zadelmakers’. De zadelmakers uit El Torno reisden door het noorden van de provincie om pakzadels te repareren van paarden en andere lastdieren die indertijd veel in de landbouw gebruikt werden. Het beroep zadelmaker was een zwervend beroep, ze trokken van dorp naar dorp, bijna altijd te voet, omdat ze over geen ander vervoermiddel beschikten. In elk dorp bleven ze een tijdje, namen ze hun intrek in een pension en huurden ze een ruimte voor de pakzadelmakerij. Maar in het begin van de jaren 1960 begon het gebruik van pakzadels af te nemen. De komst van de auto, de tractor en andere gemotoriseerde transportmiddelen hadden tot gevolg dat de boeren hun lastdieren steeds minder nodig hadden. Het beroep pakzadelmaker bracht op een gegeven moment zo weinig meer op dat een gezin er nauwelijks van rond kon komen. Tegenwoordig wordt dit werk beschouwd als een ambacht. Omdat Pablos steeds minder werk had, besloot hij zijn geluk te beproeven in het buitenland. Op een dag ondernam hij samen met een paar andere mannen uit zijn dorp de reis naar de provinciehoofdstad Cáceres waar de wervingskantoren zich bevonden. Dat was vóór de uiterst strenge winter van 1962/63. Hier is zijn verhaal, eigenhandig door hem geschreven. ………………………………………………………………M.A.L.T.

 

………Karakteristieke straatjes in El Torno.

HET VERTREK

Op 18 september 1962 vertrok ik vanuit Cáceres om te emigreren. Enige tijd tevoren kwam er op het gemeentehuis van Garganta een rondschrijven binnen van de vakbond waarin stond dat degenen die zich in wilden schrijven voor werk in Nederland zich in Cáceres moesten melden. Met vijf mannen uit het dorp gingen we naar Cáceres om ons in te schrijven voor werk in Nederland. Bij andere lichtingen later waren meer mensen uit het dorp.

Om te mogen vertrekken moesten we gekeurd worden, want als je ziek was mocht je niet in het buitenland werken. Met dertig mannen kwamen we door de keuring. Toen de keuring achter de rug was, vertrokken we per trein van Cáceres naar Madrid. Ze brachten ons naar Hotel Ronda, een groot en luxueus hotel waar we ook het avondeten gebruikten. ’s Morgens na het ontbijt werden we met de bus naar het station gebracht. We stapten in de trein en tegen het middaguur kregen we bonnen voor het eten. Om beurten gingen we eten in de restauratiewagen.

 

……….. De ‘Plaza Mayor’ van Garganta la Olla.

MOEILIJKE TIJDEN

Toen we in Parijs aankwamen, stapten we op station Austerlitz uit. In de stationsrestauratie kregen we een ontbijt geserveerd. Vervolgens gingen we met bussen naar Gare du Nord. Aangezien de trein pas om vier uur ’s middags zou vertrekken, kregen we eerst nog een maaltijd in een restaurant vlakbij het station. We aten kip met patat en salade. Daarna stapten we in de trein die ons naar Rotterdam zou brengen. Daar gingen we verder met bussen die ons naar Den Bosch reden, naar Hotel Palermo, waar we paella kregen als avondeten, nou ja, iets wat er op leek. Na het diner in het hotel werd onze groep verdeeld, iedereen ging naar zijn eigen pension. Ik mocht in het hotel blijven. Daar in Den Bosch maakte ik voor het eerst kennis met Padre Jaime die toen al bezoeken bracht aan de Spanjaarden. De volgende dag kregen we een rondleiding door de fabriek en moesten we opnieuw een keuring ondergaan. Twee dagen later gingen we aan het werk. Ik moest vuurvaste bakstenen selecteren, vies en zwaar werk. Het was een steenfabriek die ook ander bouwmateriaal vervaardigde. De fabriek heette ‘Chamotte’, wat in het Spaans ‘verbrande klei’ betekent. Zoals gezegd, het werk was heel zwaar en je verdiende niet veel. We kregen 450 gulden in de maand, dat was wat je in die jaren min of meer verdiende. Het bedrijf deed er wel alles aan ons het leven aangenaam te maken. In het weekend organiseerden ze vaak een uitstapje ergens in Nederland en de Nederlanders deden ook al het mogelijke om ons te helpen, zowel met de taal als met andere dingen. Het waren goede mensen. We maakten de strengste winter mee die ik ooit gekend heb. De Nederlanders vertelden dat ze in geen vijftig jaar zo’n strenge winter gehad hadden. De leidingen bevroren en je kon niet meer naar het toilet. Zelfs het drinkwater moest je kopen. Dat waren moeilijke dagen in die winter.

.

..

…… Het Gare du Nord in Parijs.

 

HEEN EN TERUG
Ik bleef een jaar. Mijn contract diende ik uit en ik keerde terug naar Spanje. Maar toen er weer bijna een jaar verstreken was, moest ik het elke dag met minder geld stellen. Dus ik besloot terug te gaan naar Nederland. Ik schreef mijn broer Florencio die sinds 1963 bij het bedrijf ‘Volt’ in Tilburg werkte. Volt was een bedrijf dat voor Philips werkte, in elk geval betaalde Philips de salarissen uit. Ik kocht zelf een treinbiljet en arriveerde in Tilburg. Ik nam een taxi naar het woonoord Middelbeers waar toentertijd de Spaanse migranten woorden. Toen ik in dat woonoord aankwam, trof ik Padre Jaime en hij zei: ‘Mijnheer Luengo, wat doet u hier?’ ‘Nou, ik kom om te zien of er werk is bij Philips of bij Volt.’ En hij antwoordde: ‘Als ze u niet aannemen, dan weet ik nog wel andere bedrijven waar u aan het werk kunt.’ Later leerde ik Padre Jaime steeds beter kennen, omdat we elkaar geregeld zagen, in het woonoord El Pinar, in het kloosterpension in Eindhoven en in het woonoord El Prado. De volgende dag ging ik naar het bedrijf en ik moest een test doen, samen met enkele Nederlandse arbeiders. Ze legden ons een rekensom voor en de enige die hem goed had, was ik. Volt was een goede werkgever, het werk beviel me uitstekend en de mensen in Tilburg waren heel hartelijk, het aardigst van heel Nederland. Ik hield van het werk dat ik kreeg, ik moest televisiekanalen controleren. Ik heb daar veertien maanden gewerkt, maar toen raakte alles in het slop. Er ontstond een probleem tussen de Nederlandse en Engelse regering over een televisieserie waarvoor de Engelsen tweehonderdduizend gulden per aflevering wilden hebben, maar wat de Nederlanders niet wilden betalen. Ik heb het nu over 1964. Omdat de serie niet uitgezonden werd, besloten de Engelsen niet langer van Philips af te nemen. Het werd een echte crisis en aangezien Volt voor Philips werkte, werden wij uitgeplaatst naar de hoofdvestiging in Eindhoven. Tot dan toe had ik altijd zittend werk gedaan, maar nu wilden ze dat ik televisies, radio’s en cassetterecorders ging inpakken waarbij ik de hele dag moest staan. Daar had ik geen zin in en ik accepteerde dat werk niet. Ik ging naar Tilburg en vroeg of ze me uit wilden betalen, ze gaven me nog een flinke toelage en ik keerde terug naar Spanje.

De winter van 1962/63 was een van de strengste winters ooit in Nederland.

 

Affiches van de in 1999 verdwenen fabriek 'Volt' in Tilburg.

DE UITEINDELIJKE BESLISSING

Terug in Spanje ging ik opnieuw aan het werk als zadelmaker. Met het geld dat Philips mij uitbetaald had, kocht ik een ‘motocarro’(driewielig motorrijtuig) waarmee ik mijn werk en materiaal naar de dorpen Piornal en Barrado kon vervoeren. Het was hard werken en weinig verdienen. Na een poosje werd mijn vrouw ziek. Inmiddels was ik afgemeld bij het Nederlandse ziekenfonds en zonder verzekering kon ik nauwelijks mijn hoofd boven water houden. Ik schreef een brief aan Philips en ze antwoordden me dat Philips was gestopt met het werven van arbeiders in Spanje, maar dat ik het bij een ander bedrijf kon proberen. Als mijn contract bij dat bedrijf dan ten einde liep, zou ik naar Eindhoven kunnen gaan om bij Philips te solliciteren. Ik heb dat ook gedaan en ben naar Cáceres gereisd om een Nederlands bedrijf te zoeken dat arbeiders aan het werven was. Ik heb me toen aangemeld bij het slachthuis Homburg in Cuijk. Het slachthuis organiseerde de reis precies zoals Philips dat gedaan had, alleen verbleven we nu in Hotel Palas in Madrid. Ik heb een jaar in het slachthuis te Cuijk gewerkt, naar ik meen tussen 1969 en 1970 en daarna ben ik naar Philips in Eindhoven gegaan. Ze stelden me te werk op een afdeling van Medical Systems in Best. Mijn broer Florencio die eveneens naar Spanje was teruggekeerd, besloot om ook weer naar Nederland te gaan en kwam op dezelfde afdeling te werken. Op die afdeling werden we allebei heel erg gewaardeerd en zijn we altijd goed behandeld. Een mooie anekdote uit die tijd is die over onze achternamen. Vanwege een bureaucratische fout van de ambtenaren in die moeilijke naoorlogse jaren in Spanje, zijn de achternamen van mijn broer en mij fout gespeld in het bevolkingsregister van het gemeentehuis. Bij mijn broer hebben ze gezet Granado Luengo en bij mij Luengo Sevillano en die fout bleek op geen enkele manier te herstellen. Hoewel we broers waren, droegen we verschillende achternamen. Onze Nederlandse collega’s dachten dat we hen voor de gek hielden en ze geloofden ons niet totdat we hun een legitimatiebewijs lieten zien, maar zelfs toen waren ze niet helemaal overtuigd.

Hier zien we een groep migranten die in Tilburg woonde. Onder hen bevinden zich de gebroeders Luengo (met donkere brillen): Florencio staande rechts en Pablos gehurkt in het midden.

HUISVESTING EN GEZIN

Toen ik eenmaal een aanstelling had bij Philips en werk deed waar ik plezier in had, besloot ik mijn gezin over te laten komen naar Nederland. Op een dag hoorde ik dat ze in de keuken van het Evoluon mensen nodig hadden voor de weekenden en ik besloot naar die baan te solliciteren. Ik werd aangenomen en werkte daar op zaterdag en zondag van elf uur ’s morgens tot vijf uur ’s middags. Ik kwam een keer op mijn werk en vertelde mijn chef, de heer Renden (in het Evoluon heb ik verschillende chefs gehad, de eerste was mevrouw van Julen en de laatste mijnheer Renden) dat ik mijn gezin graag over wilde laten komen, maar dat ik niet ingeschreven stond voor een woning. De heer Renden zei me: ‘Maak je geen zorgen, weet je, zaterdag komt de heer Frits Philips hier eten en als het tijd is voor de koffie, dan serveer jij ons de koffie en dan kunnen we het er mooi even over hebben.’ En zo ging het ook. Ik bracht ze de koffie en mijnheer Renden stelde mij voor aan de heer Philips. (Ik had hem al een keer eerder ontmoet, in 1966 bij de opening van het woonoord El Prado in Eindhoven.) We raakten aan de praat en de heer Philips vroeg mij of ik kon wennen in Nederland. Ik zei van wel, maar dat ik mijn vrouw en kinderen toch wel erg miste. Hij vroeg me waarom ik ze niet naar Nederland over liet komen. Ik antwoordde dat ik dat heel graag wilde, maar dat ik geen woning had. Hij zei dat dat geen probleem hoefde te zijn en dat ik me geen zorgen moest maken. Binnenkort zou ik meer horen. De week daarop kreeg ik een brief van mijnheer Max die over de huisvesting ging, waarin hij me vroeg of ik om vier uur ’s middags op het kantoor van de Philips-woningen kon komen. Die dag ging mijn chef met me mee, want die was goed bevriend met mijnheer Max. Mijnheer Max gaf me de sleutels van twee huizen, een in de wijk Woensel en een in de wijk Strijp.

 

 

Foto van het Evoluon en de stad Eindhoven in de jaren 1960.

 

Huidige beelden van de Simon van Leeuwenstraat in Strijp, waar Pablos zijn eerste huis in Nederland kreeg van Philips. Het huis was op nummer 80.

Uiteindelijk besloot ik het huis in Strijp te nemen, op Simon van Leeuwenstraat 80, want in die wijk woonden veel Spanjaarden en zelfs een paar dorpsgenoten uit Garganta. Langzaamaan bracht ik het huis in orde en toen liet ik eerst mijn vrouw en een dochter overkomen. De andere vijf kinderen bleven in Spanje. Soms zorgde onze oudste dochter voor hen, soms ook verbleven ze een poosje bij andere familieleden, totdat we ze uiteindelijk allemaal naar Nederland konden laten komen. De laatste twee kwamen in 1976.

In 1981 keerden we terug naar Spanje. Al die jaren in Nederland hadden we gespaard om een eigen huis te bouwen in Spanje, waar we sinds 1981 in wonen. We wonen nu alweer 22 jaar in Spanje. Om gezondheidsredenen zijn we nooit meer teruggeweest in Nederland, maar dat hebben we wel altijd gewild. Nog een keer terug naar Eindhoven, waar nog steeds een van onze kinderen woont. Het is moeilijk voor ons om die reis te ondernemen, maar we zullen Nederland nooit vergeten. Ik heb het altijd naar mijn zin gehad in Nederland en ben er altijd goed behandeld. Ik voel zoveel voor dat kleine landje dat ik Nederland als mijn tweede vaderland beschouw. Het is jammer dat de buitenlanders hier in Spanje niet behandeld worden zoals wij indertijd in Nederland. Soms schaam ik me dat de buitenlandse migranten hier zo gediscrimineerd worden.

Pablos Luengo Sevillano. Op 25 augustus 2003 in Jaraiz de la Vera, Cáceres, Spanje.

. Pablos Luengo en zijn echtgenote in de tuin achter het huis van Philips. Deze foto zou de laatste kunnen zijn die ze in Nederland gemaakt hebben, want hij dateert uit 1980 en in 1981 keerden ze terug.

Vertaling: Geertje van Os.

Midi muziek: 'El emigrante.'

Volver